door Len Borgdorff, 2 mei 2017

 

Els Meeuse schreef een stukje en vroeg me in een mailtje om dat redigeren. Ze constateert dat schrijven niet meevalt als je met een kind van nog geen jaar op schoot achter de computer zit. Haar berichtje eindigt dan met wat misschien wel de eerste tekst mag heten van het jongetje.

 

03

0 43

30756}}}}}}}}}}}}}"-""9851221

20

 

Thomas.

 

Ik veronderstel dat de naam onder de intrigerende tekst door de moeder is getikt, maar de cijfers en andere tekens zijn van Thomas. De moeder constateert in een ps dat die voorkeur voor cijfers moet zijn ingegeven door de vader. Ik waag dat te betwijfelen.

 

Maar daarmee geeft moeder Els al wel meteen aan dat deze cijferrijke tekst noopt tot zingeving. Omdat ik achter eenzelfde qwerty-toetsenbord zit als Thomas deed bij het maken van zijn tekst, constateer ik allereerst dat we hier te maken hebben met iemand die beide handen gebruikt bij het typen. Dat getuigt van overgave, maar het is ook een geruststelling. Wel heeft hij een lichte voorkeur voor de rechterhand, maar in versregel 3 maakt hij duidelijk ook simultaan al het een en ander in zijn mars te hebben door vier keer de shift-toets ingedrukt  te houden, links, terwijl hij rechts wat variaties binnen één klankkleur laat zien. Toeval, zul je zeggen en misschien is dat ook wel zo, maar zo’n hummeltje draait in zijn eentje en zelfstandig in een paar jaar de hele ontwikkeling van de mensheid af, ook de literaire, die begon met vinden (trovare) en verzamelen, wat immers de oorspronkelijke betekenis is van lezen. En er ontstaan patronen. Het kan geen toeval zijn dat de 0 vaker voorkomt dan de naastgelegen 9 en -.

Verder boeit de opbouw me: een bescheiden beginregel van twee tekens die in regel twee wordt opgevoerd, onder andere met de verder niet gebruikte en daardoor extra suggestieve spatie. Het zou zo voor de hand hebben gelegen, ja, ook letterlijk, als Thomas de spatiebalk vaker een rol had laten spelen in dit gedicht, want dat is het: het is een gedicht. Waarin het in regel 3 van alle kanten knettert met al die accoladetekens. De regel vormt een niet mis te verstane climax. Dat laten de getallen wel zien: het tweede getal is het 300-voudige van het eerste. De tussenliggende tekens zijn aagrijpend. De aanhalingstekens met dat meesterlijk suggestieve streepje vertragen de tekst, waarmee de onvanzelfsprekendheid van de hier geschetste ontwikkeling invoelbaar wordt gemaakt.

 

Dan dringt zich ook een betekenis op. Het gedicht begint met 03 en vervolgt enjambisch met een 0. 030 dus, dat kan niet anders betekenen dan ‘Hallo Utrecht!’ Daaruit blijkt wie de lezer zal zijn van zijn gedicht: ik, inwoner van het in Thomas’ ogen blijkbaar nogal minkukelige Utrecht. Regel 3 maakt onontkoombaar helder dat Thomas van plan is om in zijn leven door roeien en ruiten te gaan en dat het zelfs, hij zegt het met aarzeling en enig voorbehoud, op een mislukking zou kunnen uitdraaien: 9 8 5 1…, maar hij komt er grootser uit, als overwinnaar: 20. Amsterdammer! Zoals ooit Vondel zijn geboorteplaats verliet, nog wat rondzwalkte in het onbeduidende Utrecht om uiteindelijk als Amsterdammer prins der dichters te worden en zo eeuwen te trotseren, zo ziet Thomas visionair het patroon van zijn eigen leven.

Nee, ik doorgrond nog lang niet alles van het gedicht en ik denk dat veel ervan ook voor Thomas nog in raadselen gehuld blijft, maar dat maakt de tekst er misschien alleen maar aangrijpender op.

 

(Ik had het nog graag gehad over APPI, de bundel van Gerrit Krol, die duidelijk maakt in welke traditie Thomas staat, maar diens eerste proeve van dichterlijke bekwaamheid heeft alle ruimte voor zich opgeëist.)

Submit to FacebookSubmit to Twitter