door Stevo Akkerman, 31 augustus 2015

 

‘Christenen kunnen niet schrijven’, schreef Stevo Akkerman in Trouw. Len Borgdorff daagt hem in een briefwisseling uit samen verder na te denken over literatuur en geloof. Eerder deze zomer publiceerden we de eerste brief van de hand van Len Borgdorff, alsook de reactie van Stevo Akkerman en de tweede brief van Len Borgdorff. Hieronder volgt een tweede brief van Stevo Akkerman. De correspondentie wordt verder voortgezet, dus houd onze website in de gaten!

 

Lees brief

 

Tolentino, 4 augustus 2015

Beste Len,

 

In de staart van je brief schuilt iets fraais. Ik had Nijntje geciteerd (‘Als ik dan van al dat schrijven, toch wel erg ben afgemat/ ga ik lekker zitten lezen/ o wat heerlijk lijkt mij dat’) en nu noem jij het werk van Dick Bruna de ‘Bejahung’ van het leven. Ik stel me voor – en laten we dit niet checken – dat de naam van onze heldin in het Duits met ‘ei’ wordt gespeld, waarop Neintje de Bejahung van het leven wordt; dat doet ze knap.

 

Ik zit hier trouwens op een heuvel ten zuiden van Tolentino, en vanaf de veranda zie ik rechts van me het Lago della Grazie, terwijl daar achter het Sibillini-gebergte opdoemt, bergkam na bergkam, en daarboven zweven de wolken, zodat het lijkt alsof de toppen schitteren in de sneeuw, en misschien zijn het ook wel toppen en helemaal geen wolken: aarde en hemel raken elkaar daar in de verte en het is niet eenvoudig te zeggen waar het een ophoudt en het andere begint. Mensen die terugkeren van die hoogte brengen soms de wonderlijkste dingen mee: twee stenen tafelen, tien geboden, honderdzesendertig verboden, duizendenéén verhalen – en ik kijk naar de wolken en weet niet wat ik zie.

 

‘Heb begrip,’ schrijft Milosz, ‘ik geloof ook de ene dag wel en de andere dag niet.’ Dat veronderstelt een publiek, zeg je, en dat is zo. Gaan we ervan uit dat Milosz een gelovig publiek in gedachten heeft – ik had er niet bij stilgestaan dat het omgekeerde ook mogelijk had kunnen zijn, een prikkelend idee, dat echter wordt gelogenstraft door de rest van het Theologisch Traktaat, waar deze strofe deel van uitmaakt – dan moet je concluderen dat de schrijver dat publiek een zekere macht toekent, de macht om wel of geen begrip te tonen. En de schrijver hecht aan de beslissing van het publiek: ‘heb begrip’.

 

Citeer ik hem daarom zo graag en vaak? Hier zou ik een dapper neen willen laten horen – mij kan het publiek absoluut niets schelen. Maar eerst dit: ik ben, dankzij de publicatie in Liter enige jaren geleden, een grote liefhebber van het héle Traktaat. Het is voor mij alsof Milosz in deze cyclus - die uiteraard nauwelijks iets van doen heeft met de biografie van een gereformeerd groot geworden jongen uit Nederland – mijn eigen leven beschrijft. Zo sterk kan de kracht van literatuur zijn, en dan moeten we het later nog maar eens hebben over de vermoeiende vraag of literatuur gedefinieerd kan worden ter onderscheiding van non-literatuur.

 

Natuurlijk kan het publiek me iets schelen. Anders had ik Donderdagmiddagdochter – vooral die – net zo goed ongepubliceerd kunnen laten. En ik wilde graag een zo breed mogelijk publiek; niet dat ik daar bij het schrijven rekening mee hield, maar wel bij de manier waarop ik het boek de wereld in wilde sturen. Vervolgens kreeg het, en ik kan niet zeggen dat dat me verbaasde, toch vooral veel weerklank in christelijke kring – geen kwaad woord daarover, al had ik ook geen bezwaar gehad tegen wat recensies in de deftigste kranten en bladen. Nu was het zo, ik moest het na verloop van tijd met enige verbazing constateren, dat mijn beste vrienden bij de EO bleken te zitten. Mijn vrienden van de Vara – ik zat ook bij ‘Spijkers met koppen’ – niet te na gesproken. In Liter stond overigens ook een heel mooie bespreking.

 

Maar zoek ik begrip van het publiek? Van het gelovige publiek? Dat weet ik eigenlijk niet. Misschien is het beter te zeggen dat ik, al dan niet bewust, altijd in gesprek ben met mijn orthodoxe verleden, zelfs als ik afkeuring zoek, want dat komt ook voor. Ik ben er los van, op dezelfde manier als ik los was van mijn vader toen ik niet langer thuis woonde – nog lang hoorde ik hem ’s avonds de trap opkomen en dat was het zaak zo snel mogelijk de sigaret te doven en de muziek uit te zetten.

 

Dieper nog: ik vermoed dat ik me vast klamp aan Milosz, omdat het me geruststelt dat een grote geest als hij blijk geeft van dezelfde twijfel en de worsteling die mij parten speelt – als hij mag, dan ik ook. En als ik alle begrip heb voor hem, dan misschien ook wel een beetje voor mijzelf.

 

Waarom heb jij je geregeld voorgenomen alleen nog maar stiekem te bidden, Len? En de buitenwereld niets meer te laten merken van je geloof en eventuele twijfels? Daar wil ik alles over horen. Dat je je dit geregeld hebt voorgenomen, doet vermoeden dat je toch steeds weer bezweek, is dat zo?

 

Ik heb niet al je vragen en opmerkingen beantwoord, maar ik vertrouw erop dat jij als regisseur van deze conversatie in de gaten houdt of belangrijke of zelfs zeer belangrijke zaken blijven liggen. Twee dingen tot slot: ik ben gelukkig met de manier waarop je begrijpt dat ik De inboorling vindt handelen over verzoening, maar van mij hoeft het geen christelijk boek te heten. Netzomin als ik een christelijke schrijver wil zijn; ik wil schrijver zijn, zonder bijvoegelijk naamwoord.

 

Groet,

 

Stevo

Submit to FacebookSubmit to Twitter