Ad den Besten (1923-2015) had in de jaren 1950 grote invloed op de Nederlandse poëzie. In een interview dat Tjerk de Reus voor Liter met hem had (Liter 11, jg. 3, maart 2000) blikt hij erop terug.


Als redacteur van uitgeverij Holland in Amsterdam wist hij zijn baas ervan te overtuigen dat er een publicatiemogelijkheid moest komen voor jonge dichters. Hij wist aanbevelingen te krijgen van gevestigde dichters als Nijhoff, Achterberg en Vestdijk en zo kon dankzij hem vanaf 1949 in het zuinige naoorlogse klimaat de reeks Windroos verschijnen, met de debuten van Simon Vinkenoog, Paul Rodenko, Hans Andreus, Remco Campert en Jan Hanlo. Van de productieve Guillaume van der Graft (Willem Barnard) verscheen o.a. de bundel Mythologisch (1950).


Over het begrip 'mythologisch' gaat een interessant deel van het gesprek. Het betekent: van de mythe wetend, maar die notie kritisch verwerkend, er niet religieus aan gebonden zijn. Dus wel het verhaal en de beelden, maar nooit 'Blut und Boden'. Het woord religie was om die reden zelfs taboe. Dat je dan ook weer te bang kunt zijn, blijkt als Den Besten zijn kritische vragen van destijds bij de lichamelijke poëzie van Kouwenaar en Lucebert terugneemt.

Blijft het feit dat 'mythologisch' in deze zin opgevat een scherp ijkpunt zijn kan voor literatuur die zich met het hogere of diepere bezighoudt.

 

Gerda van de Haar, 7 mei 2015

Submit to FacebookSubmit to Twitter