door Len Borgdorff, 21 november 2014

 

Nijhoff dendert treiterend en verminkt door mijn hoofd:
‘… Gelijke zijden
die elkaar voortaan lijken te vermijden,
worden tot buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in bed, …’
Die buren zijn wij en wij willen helemaal geen buren zijn. Wij delen al sinds jaar en dag de tafel en het smalle bed. En dat laatste bevalt ons prima, in tijden van gretigheid maar even goed in tijden van iets minder gretigheid. Er zal ongetwijfeld een zekere conditionering hebben plaatsgevonden in de loop der jaren, of noem het automatisering. Hoe dan ook: van gedraai hebben we amper last en het heeft er alle schijn van dat de een met de ander meedraait als die opeens de linkerzij verkiest boven de rechter- als zij om op te liggen.
Tegenover een incidenteel ongemak van een voor de ander wat ongelukkig opgetrokken knie staat zoveel meer kleine tederheid en intimiteit waardoor ik soms in de ochtend al kan dromen van dat smalle bed van ons samen. Straks.
Soms gaan we uit en brengen we weekend of midweek door in een hotel of een appartement, zoals nu. We genieten ervan. Maar de dag eindigt in een eigen eenpersoonsbed met een eigen dekbed. Weliswaar staan de bedden meestal tegen elkaar aan, maar de gleuf tussen de twee matrassen is onmiskenbaar aanwezig en dan die afstand tussen haar en mij en de kou van dat niemandsland. Natuurlijk rol ik even naar haar toe, maar ik moet toch ook weer terug, de koude vlakte over naar mijn intussen kil geworden eigen bed.
‘Welterusten, buurvrouw,’ zeg ik dan. ‘Ik zal je missen.’
‘Ik jou, buurman.’

 

In de rubriek 'Buren' schrijft Len Borgdorff over (gesprekken met) zijn buren. Zie ook de website van de auteur: www.lenborgdorff.nl.

Submit to FacebookSubmit to Twitter