door Len Borgdorff, 8 september 2014

 

In 1970 kocht ik Kouwenaars bundel 100 gedichten. Zeventien was ik. De naam Gerrit Kouwenaar zei me wel iets, honderd gedichten voor die prijs vond ik erg schappelijk, maar ik viel voor het omslag van Lucebert.
Ik heb al die honderd gedichten gelezen en herlezen toen. Dat moest ik van mezelf. Het was ploeteren op mijn zolderkamer. Uiteindelijk, zo besloot, mocht ik tevreden zijn als er twee gedichten waren die iets meer dan onzekerheid en wanhoop bij me teweegbrachten. Dat werden ‘liggend naakt’ en het tweede gedicht van ‘2 spreuken van Kok’.

 

liggend naakt

Lees gedicht

 

liggend naakt

 

Ik lig liever dan dat ik staan moet
liggend bedenk ik: vandaag
maar eens bonen met spekvet

 

ik knuffelde mijn liezen, schenk
mijn aanstaande zonen het vliegbrevet
en voor later een meisje als ik

 

constateer, uitziend over mijn lichaam:
mijn tepels zijn hard als de knopen
der jarretelle
en ik zie, meer dan ik voel
hoe ik ril

 

denk, ik groei niet als een plant
in de grond, maar de grond
reikt door mijn voeten ten hemel, ook
en juist als ik lig−

 

Gerrit Kouwenaar

Bij ‘liggend naakt’ ontdekte ik de perspectiefverschuiving. Het gaat hier niet om een lyrisch ik, maar om de vrouw die daar ligt. Dat klinkt niet revolutionair, maar ik werd intussen wel op een ander been gezet en dat begreep ik toen: poëzie van Kouwenaar kan je op een ander been zetten. Natuurlijk had ik ook affiniteit met het beeld van een liggende naakte vrouw. Ik keek graag naar tekeningen en schilderijen en had vrienden om mij heen die als onderdeel van hun opleiding regelmatig modellen tekenden. Dan had ik er ook de leeftijd naar om geïntrigeerd te zijn door liggend naakt. Het naakt van de ander, maar dan wel een vrouw graag, die een tegelijk bevreemde en intieme blik op zichzelf slaat, beviel me wel. En dan was er de ironie, die veel van mijn angst voor moeilijke poëzie wegnam, terwijl iemand niet probeerde grappig te zijn (daar had je Komrij voor), maar dat bij ernst wel toeliet. Dat kwam vooral tot uitdrukking in de baldadige paradox van het slot.
Nee, begrijpen in de gewone zin van het woord deed ik het gedicht niet, maar het gedicht bracht wel veel in mij teweeg.
Een paar bladzijden verder stond het tweede gedicht over Kok:

 

2 spreuken van Kok

Lees gedicht

 

2 spreuken van Kok

 

2

 

Kok sprak vereeuwig mij nu
dit menu
en ik schreef lekkere letters en vrat
geen hap

 

Gerrit Kouwenaar

Het zou nog heel lang duren voor ik leestekens en hoofdletters in poëzie weer een beetje acceptabel zou gaan vinden.

 

Deze dichtbundel was het negenenveertigste boek voor grote mensen dat ik kocht of kreeg, zie ik. Het zesenveertigste, een maand of twee eerder, was geweest Komrijs Alle vlees is als gras of het knekelhuis op de dodenakker. Dat vond ik toen wel een geestige titel. Maar al kon ik met de gedichten van Kouwenaar veel minder uit de voeten dan met die van Komrij, voor mij was het pleit beslecht: ik raakte in Kouwenaar.
Bij de tweede ‘spreuk van Kok’ genoot ik weer van de paradox, maar het vrome en gelovige jongetje dat ik was vond er ook in wat godsdienst en godsdienstigheid tot zo’n merkwaardig fenomeen maakte. God is de wereld, meer dan dat, de ziel ervan is hij, nee, hij overstijgt de wereld die zijn schepping is. En dat probeerden koks en dichters ook een beetje te zijn, maar het lukte niet. Dat is a. En b is dan: die hemel en die aarde, het hele geloof kan net zo goed een vaste burcht zijn als een luchtkasteel.
Kouwenaar heeft mijn vertrouwen in allerlei zekerheden blijvend ondermijnd. En wie absolute
zekerheid predikt en mij vertelt hoe het precies zit, kan rekenen op mijn wantrouwen.
Veel gedichten van Kouwenaar zou je zonder moeite een dienst van schrift en tafel kunnen noemen, want waar lezen is, is eten en wat Kouwenaar eetbaar wil maken, zijn zijn gedichten. Ik gebruik opzettelijk de protestantse term en heb het niet over eucharistie. Het wonder van de transsubstantiatie, hoezeer dichter en lezer dat misschien ook zouden willen, voltrekt zich niet.

 

ooit stapte je mis op een vlinder
In de jaren daarna lukte het me heel regelmatig niet om gedichten van Kouwenaar uit te lezen. Na een tijdje zat ik zelf een gedicht te schrijven, waarbij ik vooral mijn best deed om niet als Kouwenaar te klinken.
Met de jaren ook nam mijn irritatie toe als ik las dat Kouwenaars poëzie gesloten was en gespeend van emotie, want zo was het niet. Kouwenaars gedichten waren niet gesloten, ze zetten vooral andere deuren open, deuren die anders gesloten waren gebleven en geen andere dichter kon een lezer zo vaak verheugen met bijzondere wendingen en woordcombinaties of ontroeren.

 

Een gedicht uit de bundel Volledig volmaakte oneetbare perzik (1978) zou mijn lievelingsgedicht worden. Er gaat al tientallen jaren geen week voorbij of ik prevel het gedicht of een flard daaruit als iets mij ontroert: ‘ooit stapte je mis op een vlinder’ en ‘je mond kwam over je lippen.’
Gedichten van Kouwenaar laten zich misschien moeilijk analyseren, ze zijn een unieke en treffende verwoording van situaties die je dankzij zijn formulering met een schok herkent. In de loop der jaren stopte hij meer eigen geschiedenis in zijn poëzie. Daarvoor zou wat biografische kennis handig kunnen zijn. Ik denk aan de uil die door de schoorsteen naar binnen vloog in zijn Franse huis, aan de witte kamer in dat huis, en aan de daar begraven hond. Maar de keuze van zijn persoonlijke beelden was zodanig dat ze zijn poëzie iets eigens gaven en er tegelijkertijd voor zorgden dat ze als beeld invoelbaar werden voor de lezer. Soms ook riep een beeld zelfs eigen persoonlijke ervaringen op, zoals in de regel ‘ooit stapte je mis op een vlinder.’ Ik had mijn herinnering aan een heel concrete vlinder.

 

Lees gedicht

 

*

Ook je landschap werd oud, zelfs
het geluk oneetbaar te zijn
is verteerd

 

ooit stapte je mis op een vlinder
en wat gebeurde gebeurde, thuis viel
een engel je naam uit en je mond
kwam over je lippen, inktvlek
en wikke over en over

 

Gerrit Kouwenaar

Ik vraag me overigens af of dit wel Kouwenaars beste gedicht is. Heel goed had een ander gedicht van hem mijn levenslange nummer één kunnen worden.

 

aan de hand van een alwetende vader
In vijftig, zestig jaar poëzie schrijven verandert er het een en ander. Het duurt een tijdje voor Kouwenaar zich als een van de belangrijkste dichters van de Vijftigers manifesteert, al is hij wel een belangrijke theoreticus en woordvoerder. Het anti-burgerlijke, linkse engagement van 1950 en het streven om af te rekenen met een poëzie die zich liet associëren met een falende westerse wereld – het verdwijnt niet helemaal, maar er blijft maar weinig van over. De antitaal en de antibeelden en de bezongen autonomie van het gedicht, ze maken bij Kouwenaar plaats voor een herkenbare eigen taal, met eigen beelden en verwijzingen, en het grote engagement wordt, ik zei het al, steeds meer gekoppeld aan het eigen leven en de eigen leefomgeving van de dichter. De ronkende poëzie wordt bescheiden poëzie, ze wordt inniger, maar een zekere afstandelijkheid blijft, al noem ik dat liever beheerstheid.

 

In ‘lege volière in artis’ komen we de Tweede Wereldoorlog tegen, maar pas in de laatste helft van het gedicht, als je leest van ‘bezette kamers’ en als je ‘hongerige beesten’ hoort ‘dwarsdoor de stilte van ontvolkte huizen.’ Dan wordt het tijd om de eerste strofen te herzien. Dan ook blijkt er bij nader inzien weinig meer over van het paradijselijk bestaan van de kinderjaren waarin ook nog een alwetende vader bestond. Volgens mij kun je trouwens een klinkend boek schrijven over bijbelse en anderszins religieuze connotaties in het werk van Kouwenaar.

 

lege volière in artis

Lees gedicht

 

lege volière in artis

 

Deze kooi waar ooit exotische vogels in huisden
staat leeg, zij aten geen brood, dood
gaande in een oase
stierven zij uit

 

volgend de overlevende paden
door de sneeuw van het huidige jaar
proeft men ranja, geen tranen

 

spelt men aan de hand van een alwetende vader
des zondags de ara de beo de condor

 

hoort men des nachts in een bezette kamer
het stampen en snuiven van hongerige beesten
dwarsdoor de stilte van ontvolkte huizen

 

de kooi staat leeg, men kauwt
het woord oase, voert de duiven pinda's

 

op honderd meter kankert de vrede, men denkt
dit is beter, het sneeuwt, het is heden -

 

Gerrit Kouwenaar

een geur van verbrande veren
Ooit viel ik voor het omslag van 100 gedichten en een kleine tien jaar later viel ik opnieuw, nu voor het uiterlijk van Volledig volmaakte oneetbare perzik, alsof de titel mede waargemaakt moest worden in omslag en binnenwerk. Gek genoeg kan ik de naam van de ontwerper daarvan niet vinden. Latere bundels, vaak verzorgd door Kees Nieuwenhuizen, zien er ook al zo prachtig uit, van binnen en van buiten. En dan was er nog het voorlezen van Gerrit Kouwenaar.
Ik denk dat ik twee keer onder de indruk van hem ben geweest tijdens de Nacht van de Poëzie, maar in het bijzonder herinner ik me een avond met de dichter in de toenmalige Kleine Zaal van het Utrechtse Vredenburg, die toch wel aardig vol gezeten zal hebben. Ik zat vooraan. Kouwenaar vertelde rustig over zijn kort daarvoor verschenen bundel Een geur van verbrande veren en ik vergat volledig dat ik wel eens last heb van concentratieproblemen. Ik was er, weet ik nog, met een bevriende, die ook al levenslang in Kouwenaar is, en in de pauze heb ik wat staan drinken met mijn leermeester, de great late RLK (Fokkema). Maar behalve die twee kan ik me buiten Kouwenaar niets herinneren van andere aanwezigen. Alsof ze er niet waren.
Het zijn twee aangename aanvullende componenten: de vormgeving van de bundel en de voordracht van de dichter.

 

een geur van verbrande veren

Lees gedicht

 

een geur van verbrande veren

 

Men komt thuis, het is maart, men ontsluit
het verwinterde huis, afzijn gebrek
hebben webben gestrikt, mee-eters verteerd, de uil
door de schoorsteen de dood in gedreven
de vloer vol hulpeloos dons, de boeken kalk
wit bescheten, de glazen aan gruizels
op het eeuwige bed een proper karkas
met machtige vleugels
wat heeft men gedaan vandaag?
takken geraapt, de kwijnende vlier beklaagd
vuur gestookt van afval –

 

Gerrit Kouwenaar

Weer is er de persoonlijke anekdote: mensen komen na maanden terug in hun tweede huis en zien wat er in het dode huis gebeurd is terwijl men er niet was. Je zou kunnen zeggen: wat er gebeurde terwijl er niets te gebeuren viel. Maar het dons is hulpeloos en er is een eeuwig bed. In deze ‘schuldige kamer’, om even te variëren op Armando.  Zonder eigenaars hebben gruwelijke vormen van dood hun kans gekregen en daarmee laden die eigenaars in hun onschuld schuld op zich, ik zei het al: religieuze connotaties bij Kouwenaar zijn een aparte studie waard. Maar wat ik er allemaal van vertel, staat er niet. Dat is Kouwenaar.

 

men – wij – ik, jij
Het eerste woord van ‘een geur van verbrande veren’ is ‘men’. Een echt Kouwenaarwoord, een ouderwets woord ook. Het past bij Kouwenaars streven om niet te dicht met zijn emotie op het gedicht te gaan zitten. Maar door een en ander onderkoeld, afstandelijk of dubbelzinnig te vertellen wordt de spanning groter.
In een documentaire van tien jaar geleden zei Kouwenaar dat hij in verband met het verlies van zijn geliefde Paula het even niet wilde hebben over de grote gevoelens die daarbij komen kijken, maar dat hij het leven zonder haar zo ongezellig vond. Ongezellig, dat is de negatie van dat woord dat wij zo ontzettend Nederlands vinden, maar ongezellig betekent oorspronkelijk ‘zonder gezel’ veronderstel ik, ofwel: eenzaam. En zo gebruikt Kouwenaar hier een klein woord waardoor bij nader inzien voor mij de leegte waarin hij de dood van zijn geliefde terecht is gekomen alleen maar groter wordt.
In 2002 verscheen de bundel Totaal witte kamer, enkele jaren na de dood van Paula. Het gelijknamige gedicht staat centraal in een hoofdstuk van Denken over Dichten van Theo de Boer en Peter Henk Steenhuis. Dat hoofdstuk begint zo: ‘Als je recensenten, dichters en lezers hoort spreken over het belangrijkste Nederlandstalige gedicht uit de jaren nul, hoort daar steevast ‘totaal witte kamer’ van Gerrit Kouwenaar bij.’ En twee zinnen verder: ‘Nooit eerder heb ik de totale wanhoop over de verdwijning van een geliefde in zo weinig woorden verwoord gehoord.’

 

totaal witte kamer

Lees gedicht

 

totaal witte kamer

 

Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik
dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later
en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar
dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen -

 

Gerrit Kouwenaar

Het gaat hier mogelijk om dezelfde kamer als die waarin de uil gevonden werd. In ieder geval is het hetzelfde huis. En de ‘men’ waarmee een geur van verbrande veren’ opent, zijn ongetwijfeld de ‘wij’ van ‘totaal witte kamer’. Even later heten die ‘wij’ expliciet ‘jij, ik.’ Het lijkt wel te gaan om een kinderspel in dit gedicht, alsof er mannetje en vrouwtje gespeeld moet worden. Het is het na-ijlen, er staat napraten, van wat voorbij is en zo gebeurt in deze regels op gemankeerde wijze wat er juist niet gebeurt. Daarmee is ook dit gedicht van Kouwenaar gemankeerd. En alweer adembenemend.

 

 

Genoemde gedichten komen uit:
100 gedichten, Em. Querido’s uitgeverij bv, Amsterdam 1969.
Volledige volmaakte oneetbare perzik, Em. Querido’s uitgeverij bv, Amsterdam 1978.
Het blindst van de vlek, Em. Querido’s uitgeverij bv, Amsterdam 1982.
Een geur van verbrande veren, Em. Querido’s uitgeverij bv, Amsterdam 1991.
Totaal witte kamer, Em. Querido’s uitgeverij bv, Amsterdam 2002.

 

Verder geraadpleegd:
Theo de Boer & Peter Henk Steenhuis, Denken over Dichten – hartstocht en rede komen in contact, Lemniscaat, Rotterdam 2011.

Frodo Terpstra & Martha Bakker, Het uur van de wolf: Totaal witte kamer, een tv-documentaire 2003.

Submit to FacebookSubmit to Twitter