door Elizabeth Kooman, 8 februari 2014

 

Afscheid nemen, ik ben er niet goed in. Op mijn knieën achterstevoren op de achterbank van de auto zwaaide ik naar mijn oma die kleiner en kleiner werd na een logeerpartij met een kraaiende haan en een kaneelbeschuitje in de ochtend. Huilend maakte ik een laatste rondje door elk vakantiehuisje met enorme tuin waar we twee hele zomerweken hadden gewoond. Zelfs nu nog ben ik in staat mijn man uit te zwaaien als die boodschappen gaat doen bij de supermarkt op loopafstand. Maar ik bedwing mezelf, want wat moeten al die overburen wel denken als ze zien dat hij tien minuten later de flat weer binnenloopt.

 

 

Ik voel mij dan ook zeer verwant aan de mier van Toon Tellegen. Hij wil wel, maar het lukt maar niet, met die reizen van hem. Hij kan geen afscheid nemen van de eekhoorn. ‘“Ik moet op reis, eekhoorn,” zei de mier op een ochtend. […] “En je moet niet vragen of het echt moet,” zei de mier, “want het moet.”’ Vervolgens legt hij de schuld van het falende vertrek bij de eekhoorn, die volgens hem niet in staat is om kalm afscheid te nemen. Maar natuurlijk is het de mier zelf die zijn emoties op de eekhoorn projecteert. ‘Ze probeerden het nog een keer met “Beste reis”, en een keer zonder woorden, zonder elkaar aan te kijken. De eekhoorn deed zo kalm als hij nog nooit had gedaan. Maar de mier vond het niet goed. “Zo kan ik niet op reis gaan,” zei hij verongelijkt. “Terwijl het in feite moet. Echt moet.”’

 

De mier blijft naast de eekhoorn zitten, omringd door dennenhoutgeur, ochtendzonnestralen en het gezang van een lijster. Maar ik ga, ik neem afscheid van Liter. Ik begon in de redactie als stagiair, en ben nooit opgehouden er te leren. Waarom ik weg ga? Als ik daar te lang over nadenk, dan weet ik het zelf niet meer. Omdat mijn dagen zo kort zijn, denk ik. Omdat er zo veel is dat ik moet doen, en nog veel meer dat ik wil doen.

 

Met bewondering kijk ik naar de ‘oude garde’, die Liter al jaren trouw is en daarnaast nog duizend-en-een dingen draaiende weet te houden. Meteen roert mijn schuldgevoel zijn mondje – vanbinnen praat er bij mij veel meer dan vanbuiten. Maar schrijvend snoer ik het snel de mond. Kijk naar die ‘jonge garde’, dat lijkt wel zo’n wonderbaarlijke wind die in Toon Tellegens bos zomaar ineens opsteekt. Ik vertrouw ze Liter toe, en ben straks alleen maar benieuwd wat voor moois er wekelijks op Leesliter verschijnt en vierjaarlijks in mijn brievenbus valt. Want natuurlijk blijf ik abonnee. Natuurlijk blijf ik lezen. En natuurlijk blijf ik schrijven. Maar als redacteur ga ik. Echt. Beste reis, Literanen, ik zal heel lang zwaaien.

 

Toon Tellegen, Misschien wisten zij alles. Querido, Amsterdam/Antwerpen 2003, blz. 327-328.

Submit to FacebookSubmit to Twitter